Portret Herman Sandman

Column Herman Sandman: Toedeledokie

Portret Herman Sandman Foto: Marcel Jurian de Jong

Ik sta op en zeg: ,,Ik ga.’’ En ik ga. Weg. Het huis uit en de auto in. Waarheen weet ik niet, maar ben er klaar mee. Dat roep ik ook door de kamer. Tjeu. Tjallas. Sayonara. Toedeledokie. Los Ballos. Maar mijn vrouw hoort me niet, die zit in een videoconference.

Het is even genoeg. Ik ben er in de vier weken die we inmiddels in de ‘intelligente lockdown’ zitten alleen uit geweest voor hardlopen, boodschappen, fietsen en in de tuin werken.

De rest van de tijd zit ik in de kamer en lig op de bank of in bed en in principe is dat jaren vol te houden, maar ineens is er behoefte aan een uurtje of wat geen kinderen die vragen wat we eten en geen vrouw die van half negen tot zes aan het bellen is.

De weg leidt, zonder dat ik er echt erg in heb, naar het noordoosten, naar de rand van Nederland, waar een dorpje is met zes huizen, een grote sluis tussen zeearm en zoetwaterrivier en heel veel horizon. Duitsland ligt vijftig meter verderop.

Ik ga de dijk op, knik naar wat ouderen en loop over de sluis en dan naar beneden, waar het land overgaat in water en ga op de oever zitten. Stil is het er niet, want ik hoor de vogels en de wind. Het is frisjes, maar het is goed om daar even te zijn.

Een uurtje later stap ik weer in de auto en rij door de polders en langs de kust, zonder een echt plan. De zon schijnt, de wegen zijn smal en stoffig en de dorpjes leeg.

Een haring zou er in gaan, maar de visrestaurants zijn dicht. Het geeft niet. Onderweg zijn is genoeg.

Ik ben om vijf uur weer thuis.

menu