Irma van Steijn.

Column Irma van Steijn: Trots

Irma van Steijn.

Jenny is 72 jaar en sinds een jaar weduwe. Haar kinderen en kleinkinderen wonen in Amsterdam, ze komen niet vaak omdat ze haar niet willen besmetten, maar ze hunkert naar contact.

,,Sinds het overlijden van Simon kan ik mijn draai niet vinden. Ik was zo gewend om voor hem te zorgen, ik voel me doelloos. De eerste maanden viel het wel mee, ik had veel te regelen en afgelopen zomer had ik nog wel bezoek. Maar nu zie ik bijna niemand. Ik betrap mezelf erop dat ik eigenlijk het liefste naar Simon wil, weg van de leegte hier. Ik durf dat niet tegen mijn kinderen te zeggen. Ze bellen elke week hoor en ik krijg vaak tekeningen van de kleinkinderen. En ik wil ook niet ondankbaar zijn… maar ja...’’

Langzaam vult haar ooghoek zich met vocht en ik moet me inhouden om haar geen knuffel te geven.

Jenny kan zo een uur voortmijmeren. Als ik haar niet stop is het therapie-uur zomaar voorbij. Ik twijfel of ik haar moet onderbreken, want vertellen over hoe het voelt is voor haar louterend. Ik krijg er zelf alleen zo’n machteloos gevoel van.

Het liefst wil ik iets doen of geven waardoor ze zich beter voelt en tegelijkertijd weet ik dat er geen toverstafje is tegen verdriet. Dat moet ook niet, het zijn zaken die ze moet doorleven. Erover vertellen helpt om gevoelens te ordenen.

Naar aanleiding van haar wens zich bij Simon te voegen vraag ik haar of ze werkelijk dood zou willen, of dat ze zoekt naar een oplossing voor de pijn die ze nu voelt.

Na een korte denkpauze geeft ze aan dat ze niet dood wil, ze weet zich alleen geen raad met de gevoelens van eenzaamheid. Het voelt als een koude donkere deken.

Jenny heeft ook weinig te doen. Ze maakt geen enkel plan, haar dagen zijn daadwerkelijk leeg.

Ik probeer: ,,Stel nou Jenny, dat je helemaal niets verandert, zou je je dan uiteindelijk vanzelf wat beter gaan voelen?’’ Ze hoopt van wel en wanneer ik haar wat vertwijfeld aankijk stelt ze haar eerste vraag aan mij: ,,Of denk jij van niet?’’

Ik vertel haar dat wanneer mijn dagen zo leeg zouden zijn als die van haar, dat ik me dan erg ellendig zou voelen, zelfs wanneer mijn lief nog in leven zou zijn. Ik denk dat een mens het nodig heeft van betekenis te zijn.

Na een korte stilte vertelt ze plots dat ze een advertentie heeft gezien van een gezin in haar buurt dat een oppas-oma zoekt. Eigenlijk leek haar dat best leuk, maar ze durfde niet te bellen.

Ik haal haar over dat ter plekke te doen, gewoon even horen. Nadat ze heeft opgehangen zie ik wederom een traan.

Ze kijkt me aan en zegt: ,,Ik ga morgen op gesprek. Ik denk dat Simon trots op me zal zijn.”

Reageren? i.vansteijn@maarsinghenvansteijn.nl

menu