Jean Pierre Rawie.

Column Jean Pierre Rawie: Naroep

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Deze Hemelvaartsdag was het tien jaar geleden dat Driek van Wissen, de derde Dichter des Vaderlands, stierf. Ik heb u weleens verteld dat sommige doden minder dood zijn dan andere, en dat geldt wat mij betreft in de hoogste mate voor Driek.

Wij waren zo’n veertig jaar bevriend, en hebben verscheidene bundels gezamenlijk geschreven (zelfs ons beider debuut was een coproductie, De Match Luteijn-Donner , een ‘schaakcursus in tweemaal twaalf sonnetten’). Bij het afscheid van Henk Vonhoff als Commissaris der Koningin vervaardigden wij een toneelstuk in Vondeliaanse alexandrijnen, dat tot hilariteit van feestvarken en genodigden in de Groningse stadsschouwburg werd opgevoerd door landelijke en provinciale politici.

Bij voordrachten werden wij vaak getweeën gevraagd. Waar zowel hij als ik geen automobiel kon besturen, reisden we daartoe veelvuldig per ijzeren spoortrein. Na zijn heengaan werd ik, in m’n eentje onderweg, door menige conducteur gecondoleerd.

Toen Driek tot bovengemelde waardigheid was uitverkoren, dichtten wij de Rijmkroniek des Vaderlands , een – destijds nog prins – Willem-Alexander in de mond gelegde geschiedenis van Nederland, voor het slapengaan eerst (deel I) verteld aan één, daarna (deel II) aan twee, ten slotte (deel III) aan drie prinsesjes. Van een afsluitend vierde deel is het door Drieks dood niet meer gekomen, in poëtische zin terecht, want ook de vorstelijke gezinsuitbreiding stokte. Ik suggereer geen verband.

Ik wil u de inmiddels klassiek geworden eerste regels dezer Rijmkroniek niet onthouden omdat die de denkwereld van ons als historicus afgestudeerde staatshoofd zo treffend weergeven: ‘ Dat alles is zoals het is / komt voort uit de geschiedenis,’ / sprak vader Willem-Alexander, / ‘het één volgt altijd op het ander; / zo is het en niet omgekeerd, / dat heb ik als student geleerd. / Laat me je uit ons eigen leven / daarvan een simpel voorbeeld geven: / Nu zit je oma op de troon, / daarna kom ik als oudste zoon / en dan, als alles meezit, jij. / Zo staat de mensheid in de rij / en volgen jaar na jaar na jaar / de dingen keurig op elkaar.’

Ons werd geregeld gevraagd welke vondst in die boeken van wie was, maar daar konden wij geen antwoord op geven; de tekst groeide organisch onder onze handen. Wel herinner ik me dat Driek één keer, preuts als hij was, zijn veto over een grap uitsprak. Ik wilde naar aanleiding van de vele bastaarden van Frederik Hendrik diens bijnaam ‘stedendwinger’ laten rijmen op ’elfde vinger’, maar dat mocht niet.

Drieks eigen werk was verstechnisch van een ongeëvenaarde virtuositeit, en hij achtte geen onderwerp te gering voor een klinkdicht of ballade. Dat maakte hem in mijn ogen bij uitstek geschikt voor het Dichterschap des Vaderlands. Niettemin oogstte zijn verkiezing in 2005 veel misnoegen in de Dietse dichtwereld. Juist zijn volmaakte vormbeheersing werd ten kwade geduid, en volstrekt onterechte aantijgingen van ‘rijmelarij’ en ‘ulevellenversjes’ waren niet van de lucht. Ik heb me er altijd over verwonderd hoe weinig hem die kleingeestige verwijten ter harte gingen.

Anderhalve maand voor zijn dood begonnen wij een beurtzang in het Dagblad van het Noorden ; om de week zouden wij ieder een stukje schrijven. Dat heeft dus maar kort geduurd, en sedertdien draai ik er, zo goed en zo kwaad als het gaat, alleen voor op.

menu