Jean Pierre Rawie

Column Jean Pierre Rawie: Signaal

Jean Pierre Rawie Foto: Marcel Jurian de Jong

Ter ere van ons voormalige staatshoofd straalt de televisie dezer weken een portret uit, dat De zware jas van Beatrix heet. Ik kijk geen tv, maar iemand maakte me attent op de voorziening ‘Uitzending gemist’, waardoor ik het tweede deel van die serie toch heb kunnen zien.

Wat me schokte, is dat gebeurtenissen die ik bij vol bewustzijn heb meegemaakt, inmiddels ruimschoots geschiedenis zijn geworden. Neem de krakersrellen tijdens de troonswisseling in 1980. Ik herinner me die als de dag van gisteren, en heb onder de indruk daarvan destijds nog een gedichtje geschreven met de titel Inhuldiging , dat luidde: Ook wij, mijn vijandin en ik, wij vormden / een vrij mobiele eenheid in de nacht, / terwijl wij wederzijds elkaar bestormden / tot beiden zwichtten voor de overmacht.

Er zijn intussen al twee generaties voor wie dat in een ver verleden speelde. Bij het aanschouwen van de beelden van die dag viel me op hoe aantrekkelijk de jonge koningin bij haar aantreden oogde. Toch vermocht ze de harten van haar volk aanvankelijk niet te veroveren. Dat veranderde pas door haar ‘verrassingsbezoek’ aan Amsterdam op Koninginnedag acht jaar later, tijdens hetwelk ze ‘geheel onverwacht’ gekust werd door een inwoner van de Jordaan.

Daartoe had ze haar officiële visite aan Kampen middenin een concert moeten afbreken teneinde zich per wentelwiek naar de hoofdstad te spoeden. In de uitzending werd op geen enkele wijze gewag gemaakt van de vermoedelijk toch aanzienlijke teleurstelling der Kampenaren, die hun feestprogramma nu voor spek en bonen moesten voortzetten.

Ook werd er geen twijfel geopperd aan het spontane karakter van die omhelzing der vorstin; ik maak me sterk dat die zonder voorkennis van haar lijfwacht geen doorgang had gevonden. Dan zou ook een onverlaat met een mes haar hebben kunnen benaderen.

Vroeger kwam ik nog wel eens aan het hof. In 1992 reikte Beatrix op paleis Noordeinde de Prijs der Nederlandse Letteren uit aan de Belgische dichteres Christine d’Haen (dat was niet haar idee, want die wrochtsels van d’Haen waren veel te moeilijk voor koninklijke consumptie); ik bevond mij in het publiek naast Ivo de Wijs. Volgens hem stond de microfoon niet goed, en – theaterman als hij was – wilde hij naar voren snellen om zulks te verhelpen. Ik kon hem nog net tegenhouden, want ik weet zeker dat hij binnen één meter tegen de grond gewerkt zou zijn.

Dat gebrek aan journalistieke achterdocht kleeft De zware jas in zijn geheel aan. Er wordt gedaan of een opmerking van Ria Lubbers over Beatrix’ wandeltempo al behoorlijk op het randje is, en alle geïnterviewden zwijgen over wellicht belangwekkende uitlatingen die zij mogelijk gedaan heeft, waaruit iets van haar ware mening omtrent voorvallen gedurende haar regering zou kunnen doorschemeren. Zo lijkt het of de depressie van prins Claus haar nauwelijks beroerde.

Opmerkelijk vond ik het vraaggesprek met Dries van Agt, die na zijn premierschap geen Minister van Staat was geworden, en zijn verbittering daarover niet kon verbergen. Hij droeg een das, waarop tientallen malen de door ons in 1581 afgezworen Spaanse koning Filips II was afgebeeld. Daar was over nagedacht.

menu