Met het Sint-Nicolaasweekend net achter de rug hebben veel landgenoten voor een jaar hun bekomst van gedichten. Mijn lezerskring bestaat evenwel, veronderstel ik, uit fijne luiden, die verzot zijn op poëzij, en het mij in dank afnemen dat ik er af en toe over schrijf.

Juist mijn verknochtheid aan de muze maakt me ongeschikt voor sinterklaasgedichten, die weliswaar (evenals de mijne) dienen te rijmen, maar het verder moeten hebben van vertederende knulligheid. Een goed gedicht is een slecht sinterklaasgedicht.

Wel is het een verademing dat men in een sinterklaasrijm meestal doorheeft waar het over gaat. De heersende mening dat dichterlijkheid gelijkstaat aan onverstaanbaarheid is nog niet tot het Heerlijk Avondje doorgedrongen. (Om misverstand te voorkomen: er is niets tegen onbegrijpelijke poëzie voor wie daarvan houdt, maar het is vreemd dat wartaal het enige criterium lijkt te zijn voor een geslaagd gedicht.)

Die zonderlinge literatuuropvatting geldt overigens alleen voor lyriek. Romans waar geen touw aan vast te knopen is, worden nog maar weinig geschreven. In de poëzie, waar ooit elk woord telde, is een anarchische vrijheid-blijheid tegenwoordig de norm.

Ten gevolge van slordige overnames in bloemlezingen heb ik zelf mogen ondervinden hoe door één verkeerd woord de betekenis van een gedicht verandert of helemaal zoekraakt. Een nogal bekend sonnet van mijn hand, Sterfbed , gaat over de dood van mijn vader, en bevat de regel ‘Ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten’. Dat werd in de tweede druk van Komrij’s Duizend en enige gedichten ‘Ik zie mijzelf nu in zijn bed gezeten’, waardoor het vers opeens een incestueuze, gerontofiele, homoseksuele en necrofiele lading kreeg. In latere drukken werd dit haastig gecorrigeerd, maar op het internet blijft de verminkte versie rondspoken.

In de bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer worden in hetzelfde (!) sonnet de regels ‘Straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten / hoe machteloos ik hem heb liefgehad’ verbasterd tot ‘Straks is hij weg, en heeft hij nooit vergeten / hoe machteloos ik hem heb liefgehad’, wat een onzinnige mededeling oplevert. Het is verontrustend dat zulke dingen geen voorhoofden meer doen fronsen. Het zal wel, het is maar poëzie, moet je denken. Van Pfeijffers anthologie uit 2016, bedoeld ter vervanging van Komrij, is tot op heden geen verbeterde herdruk uitgekomen.

Een meester in de bevlogen lariekoek is voormalig jezuïetenpater Huub Oosterhuis. Ter gelegenheid van diens 87 ste verjaardag verschenen onlangs zijn vuistdikke verzamelde gedichten, onder de titel Handgeschreven . Nu heet mijn vorige bundel Handschrift , dus alleen al daarom was ik hoogst belangstellend aangaande de inhoud.

Het cultuurprogramma Podium op zaterdag van de klassieke zender radio 4 besteedt er deze maand in zijn dichtershoekje iedere week aandacht aan, en laat de bejaarde bard telkens iets voordragen. Ik hoorde hoe hij ons met bronzen stem en ontroerde dictie in een lang poëem toevertrouwde vadertje en moedertje gespeeld te hebben met de oud-Egyptische koningin Nefertiti, want voor minder doet-ie het niet. Naast andere malligheid had hij het over ‘de bovenkant van je voetzool’ (huh?). Het kan natuurlijk dat hij ‘wreef’ bedoelde en even niet op het woord kon komen, maar ik vrees dat het opzet is.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns