Hij stapt achter het stuur vandaan, loopt naar het achterste portier, pakt zijn hockeytas, zegt ‘tot straks’ en wandelt naar de ingang van het sportpark. Ik stap ook uit, ga op de bestuurdersstoel zitten en rij naar de dichtstbijzijnde chinees.

Onze oudste zoon speelt voor het tweede seizoen bij een club in een andere plaats. De afstand tussen huis en sportveld is 21,5 kilometer. Hij moet om tien voor zes inlopen. De training duurt tot half acht. We rijden meestal om tien voor vijf weg en zijn tegen vijf over half zes bij hockey. Daar blijf ik wachten tot hij klaar is.

Dat is een keuze. Ik zou weer naar huis kunnen gaan en hem om half acht ophalen. Maar ik heb thuis dan krap een uur en rij één keer voor nop 43 kilometer. Dat is, los van de reistijd en diesel die het kost, een extra belasting voor het milieu. Want hij traint twee keer per week en soms ook op zaterdag of zondag.

Na terugkomst van de chinees zet ik de auto in de verste hoek van de parkeerplaats en eet nasi gewoon of nasi rames. Soms koop ik sushi of een maaltijdsalade bij een supermarkt en daarna werk ik aan een boek, of ik lees.

Af en toe kijk ik ook om mij heen. Het is een komen en gaan van jongens en meisjes op de fiets en vaders en moeders die hun kinderen afzetten en oppikken.

Ik wil wel naar de kantine, maar dat kan niet en dus breng ik sinds corona twee keer per week één uur en vijftig minuten in een auto door met nasi eten, schrijven en lezen en staren naar een lege vlakte en me afvragen of ik raar ben .

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns