Rosa Timmer.

Column Rosa Timmer: Pubers

Rosa Timmer. Foto: Marcel Jurian de Jong


,,Hij is wel dik, ja.’’ Mijn moeder en ik kijken naar mijn vaders hand. Hij probeert zijn vingers plat te drukken. Ze zijn zo gezwollen dat hij ze niet meer recht krijgt. Hij beukt erop alsof hij er niet net met een snelheid van 40 kilometer per uur op gevallen is. Hij was weer eens uit fietsen, zoals elke dag. Meestal 100 kilometer, als hij de weg kwijt is 140. Wat er is gebeurd? ,,Stoepje, boem’’, verklaart hij. Daar moeten we het maar weer mee doen.

Nog maar vier dagen ervoor was hij ook al onderuitgegaan. Op Facebook berichtte hij over zijn avonturen in zijn inmiddels bekende staccatostijl. ,,Fietstocht met val. Niet ernstig. Bloedde wel erg.’’ Dat hij de halve stoep onder bloedt en omstanders denken dat er minstens een slagader is geknapt, is voor hem met zijn bloedverdunners niets bijzonders. Vraag hem eens naar een maand dat hij dat niet heeft gedaan, dat zou pas nieuws zijn.

Maar dat hij op zijn linkerhand moet vallen terwijl zijn rechterhand sinds de beroerte niets meer kan, dát is wel lastig. Hij wil er niet aan. Wat moet een mens zonder handen én zonder redelijke spraak beginnen? Het is daarom dat het twee hele dagen duurt voor mijn ouders toch maar naar de dokter gaan. Gebroken. Gips.

Vlak na het gipsen, moet hij plassen. Hij loopt naar de wc en komt daar voor het voldongen feit dat hij zijn eigen broek niet open kan doen, laat staan dat hij zijn eigen piemel kan vasthouden. Mannen zijn onhandig ontworpen. Hij roept mijn moeder: ,,Hee’’, en als ze bij hem komt, moet ze lachen. Ze beseft meteen dat ze de komende zes weken mee moet naar de wc.

Mijn moeder kleedt hem sindsdien aan, wast hem, ze zijn eigenlijk nooit meer zonder elkaar. Want wat als hij moet plassen en ze is er niet? Moet hij dan de buurvrouw vragen?

Na twee weken informeer ik bezorgd bij mijn moeder of ze het allemaal wel aankan. Ze kijkt me met verliefde ogen aan. ,,Ik vind het eigenlijk wel gezellig.’’ Mijn pa grinnikt.

Pubers.

menu