Commentaar: Rutte in Brussel, vrek of staatsman?

Minister-president Mark Rutte wacht een pittige discussie in Brussel over de Europese begroting. Foto: ANP/Jonas Roosens

Als de voortekenen niet bedriegen, kan premier Rutte zich vandaag in Brussel opmaken voor een stevig robbertje vechten. Alleen diplomatiek welteverstaan, maar de discussie over de hoogte van de Europese begroting voor de periode 2021-2027 belooft zeker een pittige te worden. Nederland maakt onder leiding van onze minister-president samen met Denemarken, Zweden en Oostenrijk deel uit van de Vrekkige Vier, een kwartet EU-leden dat niet wil dat er meer dan 1 procent van het gezamenlijke inkomen van de leden naar Europa gaat.

Hoewel nog moet blijken hoe standvastig Rutte in de praktijk zal zijn, is zijn standpunt op zich te begrijpen. Met de hete adem van eurosceptische partijen als de PVV en Forum voor Democratie in de nek, voelt hij zich wel gedwongen om de spierballen op de vaderlandse bühne te laten rollen.

Met staatsmanschap heeft deze vrekkigheid echter niet zoveel te maken. Daarvoor zou Rutte zich beter kunnen richten op hoe effectief het Europese geld wordt besteed. En dan hebben we het niet over de op zich terechte klachten over bureaucratie en het verhuiscircus tussen Brussel en Straatsburg, maar over de gelden die aan beleid besteed worden. Een onderzoek van de universiteit van Wageningen en de Volkskrant heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat de vergroening van de Europese landbouw op een totale mislukking is uitgelopen. In het kader van het Europese landbouwbeleid kregen Nederlandse boeren in zes jaar tijd bijna 2 miljard euro subsidie, zonder dat de grutto’s, leeuweriken of bijen er veel beter van geworden zijn. Het bezit van een hectare weiland op zich was al genoeg voor het ontvangen van Europese steun.

Volgens de onderzoekers waren de doelstellingen van dit vergroeningsbeleid best in orde, maar ging het mis bij de uitvoering en door het ontbreken van controleerbare doelen. De ironie wil dat dit vooral geweten wordt aan het feit dat de meeste nationale overheden, inclusief de onze, het veelbelovende beleid bij stukjes en beetjes afbraken met tal van aanpassingen die hen beter uitkwamen. Waardoor de conclusie zich opdringt dat er eerder meer dan minder macht naar Brussel zou moeten gaan om Europees beleid tot een succes te maken. Maar die keus vereist een visie en durf die in Den Haag zeldzaam zijn.

menu