En ik loop de straat uit, de bocht om, de brug over. Ik wijk iets uit naar links, een beetje verder de berm in, want er komt een auto aan. Geen bekende. Toch kijk ik naar de bestuurder en de bestuurder kijkt naar mij en inderdaad, we kennen elkaar niet.

Maar we knikken.

Het bos is links van mij, de oude waterzuivering rechts. Voor mij is een molen, met kerstbomen in de tuin. Even later heb ik vrij zicht en kijk ik de akkers over. De boeren maken het land klaar. Er hangen donkergrijze wolken boven de wereld. Maar de zon schijnt ook.

Raar weer, dat is het.

Ik loop alleen. De blik gaat naar de grond, waar ik mijn voeten zet, soms naar opzij, naar een huis, een weggetje ‘naar achteren’ en dan weer bezie ik de omgeving, de wereld. Mijn wereld. Ik hoor de wind en probeer het denken te sturen, het hoofd ‘leeg’ te maken, maar dat lukt nooit. Ik denk aan waar ik thuis ook aan denk. De gedachten gaan heen en weer tussen werk, gezin, huis, tuin, familie, vrienden, sport, leven, dood, vroeger.

Er lopen mensen in het land. Met een hond. Die ken ik wel. Een man, een vrouw, een zoon. Als ze kijken zwaai ik. Ze zwaaien terug.

Ik denk aan hen, de vriendengroep in het dorp waar ze bij horen en en hoe lang we elkaar niet gezien hebben.

En ik ga bij een kruispunt weer naar links. Een drukkere weg. Het bos ligt nog steeds links van mij en ik heb rechts opnieuw vrij zicht over de akkers, tot aan de horizon .

Je kunt deze onderwerpen volgen
Meningen