De buxussen mochten er uit, zei mijn vrouw. Ze was er na dik tien jaar klaar mee. Dus als ik me verveelde...

Op de een of andere manier heb ik bij zo’n mededeling altijd het idee dat er haast bij is. Het zit in de toon en de combinatie van de woorden ‘moeten’ en ‘nodig’. De handen in de zij versterken dat gevoel, al kan het inbeelding zijn. Want of er buxussen in de tuin staan of niet, gaat natuurlijk nergens over.

De zin is er wel weer, in buiten klussen. Ik ben sinds januari elk weekend aan het verven. Dankbare bezigheid, want het huis knapt er van op, maar op zeker moment wordt het weer gewoon werk.

Ze keek niettemin zorgelijk toen ik na het grasmaaien, verticuteren en kalk strooien spade en kruiwagen pakte. Want de rechterarm deed weer enorm pijn. Souvenir van vorig voorjaar, toen we tijdens de eerste lockdown dingen in de tuin deden waar we in geen jaren aan toe gekomen zouden zijn en ik drie bigbags split wegkruide.

,,Kan oudste zoon je niet helpen?’’, opperde ze, ,,het wordt tijd dat de mannen wat doen voor de kost.’’

,,Prima, maar waar ist-ie dan?’’, vraag ik.

Want ze zegt regelmatig dat zoons moeten helpen, maar als het zover is, is er nooit een mens in de buurt. Dus ga ik zelf aan de slag. Ik heb ook een linkerarm.

Toen zij terugkwam van spulletjes kopen, keek ze goedkeurend. Ja, mooi. Netjes. De tuin werd er opener door. Of had ik ze misschien willen behouden?

Nee joh, schei uit. Ik ben geen buxusman. Nooit geweest ook.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Meningen