Opine: Niet pietluttig zoeken naar andere oorzaak mijnbouwschade

In 2013 werd in de kerk van Woldendorp schade door verzakking geconstateerd. Foto: Jan Zeeman

Het Instituut Mijnbouwschade Groningen worstelt met het wettelijk bewijsvermoeden voor mijnbouwschade en komt met nieuwe inzichten. Maar ruim een halve eeuw bodemdaling en dertig jaar aardbevingen maken mijnbouwschade door gaswinning in Groningen niet gemakkelijk te ontkennen.

Schade door mijnbouw in Groningen is er al zeker 15 jaar. Na de 3,6-beving bij Huizinge in 2012 meldden zich steeds meer gedupeerden. Nu wordt het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), bij afnemende gaswinning, overspoeld met circa 1000 nieuwe schademeldingen per week. Dit hoeft ons niet te verbazen. Sinds 2000 waren er zo’n 300 voelbare aardbevingen met een kracht van 1,5 of meer op de schaal van Richter, in 2020 werden er 16 genoteerd. Daarvan hadden er 40 een kracht 2,5 of meer, waarvan 2 in 2020. De Groningse bodem daalt gestaag verder, sinds 1963 met ongeveer 35 cm bij Loppersum en circa 10 cm in Groningen-stad.

Mijnbouwschade kan direct optreden door het schudden van een gebouw bij een aardbeving, maar ook indirect door het langzaam in- of scheefzakken van de grond waarop het gebouw staat. Dit kan het gevolg zijn van bodemverdichting door aardbevingstrillingen, maar ook van diepe bodemdaling door jarenlange inklinking van het zandstenen gasreservoir.

De precieze oorzaak van allerlei gebouwschade is niet gemakkelijk te bepalen. Juist daarom is eind 2016 voor Groningen het ‘wettelijk bewijsvermoeden’ vastgelegd: zolang er geen evidente ándere oorzaak kan worden aangetoond moet – binnen het aardbevingsgebied – worden geconcludeerd dat de schade is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.

Trillingen te gering

Onlangs publiceerde het IMG een notitie van twee Delftse onderzoekers waarin verschillende gronden worden genoemd ter ontkrachting van het wettelijk bewijsvermoeden in gevallen van zettingsschade. De twee stellen dat bodemtrillingen door aardbevingen meestal te gering zijn om te leiden tot schadelijke zettingen. Hierbij gaat het echter níet over zettingen door diepere bodemdaling als gevolg van gaswinning. En wonderlijk genoeg zou stapsgewijs toenemende bodemverzakking door opeenvolgende aardtrillingen hierbij ‘niet aan de orde’ zijn.

De auteurs lijken het ontkennen van mijnbouwschade te willen vergemakkelijken. Eerst zou maar eens uitgerekend moeten worden of de plaatselijke trillingen door aardbevingen wel krachtig genoeg waren om zettingen te kunnen veroorzaken. Pas daarna zou ter plekke van het gebouw moeten worden nagegaan of er in plaats van mijnbouw een andere, uitsluitende oorzaak van de zettingen kan worden gevonden.

Onmogelijk te beoordelen

In reactie hierop schreef een ervaren bouwingenieur uit Woerden: “Het is onmogelijk voor deskundigen en gedupeerden om te kunnen beoordelen dat zettingen wel of niet zijn veroorzaakt of verergerd door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten.” Hij wijst erop dat een mogelijke andere oorzaak van de zettingen zich wél moet hebben voorgedaan in dezelfde periode als die waarin de gebouwschade is opgetreden.

De Woerdense expert noemt de Delftse notitie onvolledig, ondeskundig en onjuist. En: “Aanvullend onderzoek naar de ondergrond is in feite altijd overbodig, als (…) de woning er al vele jaren vóór 2012 zonder verzakkingen en scheuren heeft gestaan.” Kortom, niet alleen bevingsschade maar ook zettingsschade van na 2012 kan worden opgevat als mijnbouwschade.

Plundering van de schatkist

Natuurlijk moet worden voorkomen dat de Nederlandse schatkist (en die van de NAM) wordt geplunderd door allerlei Groningers met gebouwschade die géén verband houdt met gaswinning. Die kan immers zijn ontstaan door pure veroudering, verwaarlozing, veelvuldig zwaar vrachtverkeer, erosie van de fundering en/of bodeminklinking door verandering van het grondwaterpeil.

Maar na meer dan een halve eeuw grootschalig gas winnen is inmiddels bekend dat talrijke lichte en tussentijds zwaardere bevingen in combinatie met 10 tot 40 cm bodemdaling in zand-, veen- en kleilagen iets fundamenteel hebben veranderd aan de ondergrond van tienduizenden gebouwen in het omvangrijke aardbevingsgebied. In de officiële beoordeling van ‘mijnbouwschade’ zou dan ook niet al te pietluttig moeten worden gezocht naar mogelijke andere oorzaken.

Charles Vlek is emeritus hoogleraar omgevingspsychologie en besliskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur. Een week geleden schreef hij over de slepende woningversterking in het aardbevingsgebied.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Meningen