Opinie: Moeizame woningversterking Groningen kan en moet beter

Een beschadigd huis aan de Hoofdweg in Zandeweer. Foto: Kees van de Veen

De veiligheidsrisico’s voor bewoners van het aardbevingsgebied blijven onzeker en nauwelijks te schatten. Het veilig genoeg maken van woningen kan beter worden samengevoegd met de afhandeling van bevingsschade.

De achterstallige versterkingsoperatie in het aardbevingsgebied is een last voor bewoners, een nachtmerrie voor bestuurders en een graat in de keel van de wetenschap. Het sinds 2013 beloofde aardbevingsbestendig maken draait nu om 26.700 (ooit) mogelijk onveilige gebouwen. Daarvan zijn er inmiddels 1.200 versterkt.

De ‘versterkingsopgave’ wordt bepaald via technische modellen en berekeningen die veel betrokkenen boven de pet gaan. Het instortingsgevaar van gebouwen vermindert gestaag en blijkt nauwelijks in getallen te vatten.

Nu worden, volgens het bestuursakkoord van 6 november 2020, talrijke toezeggingen en afspraken uit 2016-2018 omgezet in radicale herbeoordeling, financiële tegemoetkoming en veel minder versterken. De komende maanden krijgen bewoners te horen hoe hun ‘versterking’ er uit komt te zien.

Steeds minder aardbevingen

Bij snelle afbouw van de gaswinning zijn er steeds minder aardbevingen te verwachten, aanvankelijk nog zo’n zeven (plus of min twee) per jaar met een voelbare bevingskracht groter of gelijk 1,5 op de schaal van Richter. Statistisch gezien kan tussen 2021 en 2025 nog een handvol bevingen met tenminste kracht 2,5 worden verwacht, waarvan misschien nog één met kracht 3,5.

Versterken is bedoeld om een kwetsbaar gebouw zó veilig te maken dat de kans om te overlijden bij woninginstorting hooguit 1 op de 100.000 per jaar bedraagt. Voor tienduizenden gebouwen is die instortingskans ingeschat met NAM’s typegerichte Hazard and Risk Assessment , dat is een dreigings- en risicobeoordeling. Na een voorlopige HRA -aanwijzing als ‘mogelijk onveilig’ wordt de instortingskans per individueel gebouw bepaald met de Nationale Praktijk Richtlijn (NPR 9998), een omvangrijk stel richtlijnen over aardbevingsbestendig bouwen.

Loslaten eerdere richtlijn zonder gevolgen

Het gebruik van die NPR kan volgens Staatstoezicht SodM (juli 2020) flink worden verbeterd, bijvoorbeeld via training van bouwinspecteurs, standaardisering van versterkingsadviezen en toepassing van de nieuwste inzichten over afnemende aardbevingsbelasting.

Ook oordeelde het SodM dat NAM’s onzekere HRA beter kon worden losgelaten als basis voor risicobeoordeling en de rangordebepaling van gebouwenversterking. Echter: „Voor de lopende versterkingsopgave heeft [dit] geen gevolgen. (...) Immers, de versterking is reeds vastgezet op 26.000 huizen waarvoor de prioritering reeds is bepaald ...”

Onnodig versterken

Maar die versterkingsopgave van bijna 27.000 woningen was toch grotendeels bepaald via diezelfde HRA die nu wordt losgelaten? En ging deze niet uit van het eerdere afbouwscenario uit maart 2018, dat pas zou eindigen in 2030? (Het actuele afbouwscenario eindigt in 2022.) En volgens de HRA -2020 zouden er toch vrijwel geen gebouwen meer zijn die de veiligheidsnorm overschrijden? In hoeverre klopt dat aantal van 27.000 dan nog? Hoeveel huizen zijn of worden er inmiddels onnodig versterkt of zelfs gesloopt en herbouwd? Hoeveel bewoners voelen zich nodeloos onveilig?

Het seismisch risico lijkt praktisch onmeetbaar. Of een huis veilig genoeg is hangt tegenwoordig af van onnavolgbare type-berekeningen, eerdere ‘referentie-versterkingsadviezen’ en vooral het deskundig oordeel van bouwinspecteurs. Een langverwachte standaardversterking per woningtype is nog niet vastgesteld. Boven al deze methoden hangt de vraag of (en wanneer) hiermee kan worden verzekerd dat een gebouw veilig genoeg is (en waartegen).

Moeilijk uitlegbaar ingenieurskunstje

Volgens het bestuursakkoord zal ‘versterken’ vooral gaan neerkomen op een (her-)beoordeling van de veiligheid van allerlei gebouwen die sinds 2016 als min of meer risicovol zijn bestempeld. Daarbij zal de numerieke toetsing aan de veiligheidsnorm een moeilijk uitlegbaar ingenieurskunstje blijven.

Hoeveel van die mogelijk onveilige gebouwen hebben ook bevingsschade? Hoe groot is de overlap tussen ‘reeds beschadigd’ en ‘mogelijk onveilig’? Zou het niet efficiënter zijn om de versterkingsopgave van de voortworstelende Nationaal Coördinator Groningen samen te voegen met de schadeafhandeling door het voortvarende Instituut Mijnbouwschade Groningen? Dan hoeft er maar één keer deskundig te worden geïnspecteerd, beoordeeld en geadviseerd over herstel en/of versterking van eenzelfde gebouw. Dat zou voor bewoners toch veel beter te begrijpen en te verdragen zijn?

Het kabinet zou er wél de ‘gespleten’ Tijdelijke Wet Groningen voor moeten veranderen.

Charles Vlek is emeritus hoogleraar omgevingspsychologie en besliskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van ‘Aardgas, risico’s en besluiten – een buitenparlementair onderzoek naar gaswinning-met-aardbevingen in Groningen’.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Meningen
Aardbevingen