Opinie: Een vrouw? Is die wel sterk genoeg?

Rob Jetten, Sigrid Kaag en Alexander Pechtold voorafgaand aan de eerste grote speech van Kaag als nieuwe leider van D66. Foto: Remko de Waal

Vrouwen zijn betere leiders, maar juist niet omdat ze zo ‘vrouwelijk’ leidinggeven. Ze doen het beter omdat ze zich eerst als leider moeten bewijzen.

Vrouwen op topposities liggen vaak onder een vergrootglas, vraag dat maar aan Femke Halsema. Ook de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern en, dichter bij huis, de dit weekend gekozen D66-partijleider Sigrid Kaag, staan volop in de spotlights. Daarbij wordt voortdurend benadrukt hoe bijzonder het is dat ze niet alleen leider, maar ook vrouw zijn.

Vaak is dat omdat ze de eerste vrouwelijke burgemeester, bondskanselier of premier zijn. Tijdens de huidige coronacrisis krijgen ze opeens extra veel aandacht, waarbij veelvuldig wordt gesuggereerd dat vrouwen juist nu geschikter zijn als leider, omdat ze zo ‘anders’ leiding zouden geven.

Wetenschappelijke studies

Inmiddels verschijnen alweer de eerste studies naar die eventuele leiderschapsverschillen tussen mannen en vrouwen bij het bestrijden van het coronavirus. Zo laat een onderzoek onder vijftig Amerikaanse gouverneurs zien dat staten met vrouwelijke gouverneurs minder Covid-doden hadden dan staten die geleid worden door mannen.

Een wereldwijde studie toont aan dat er in de negentien landen die door een vrouw worden geleid, significant minder coronabesmettingen en coronadoden te betreuren zijn. Dat lijkt misschien goed nieuws dus voor het ‘vrouwelijk’ leiderschap, maar het tegendeel is het geval.

In de eerste plaats is een van de grote beperkingen van dit soort studies dat de aantallen leiders en de steekproefperiode klein zijn. Er worden stevige conclusies getrokken op basis van een kleine dataset.

Maar er is een ander, fundamenteler probleem: de veronderstelling waar dit soort studies van uitgaan. Die is dat vrouwen anders leidinggeven dan mannen, omdat ze ‘van nature’ vrouwelijke kwaliteiten hebben: zorgzaamheid, empathie, en een oog voor het gemeenschappelijk belang. Allemaal eigenschappen die cruciaal zijn bij een pandemie. Mannen dichten we eerder kwaliteiten toe als dominantie, daadkracht en het nemen van risico’s.

Aan de basis van dit type kenmerken liggen stereotypen die we hebben over mannen, vrouwen en ook over leiders. Het stereotiepe beeld van een ‘goede’ leider is van oudsher iemand die sterk en daadkrachtig is; dan denken we automatisch aan een man. Terwijl de stereotiepe ‘goede’ vrouw zacht, invoelend en zorgzaam is. Deze twee stereotypes van de ideale leider en de ideale vrouw staan haaks op elkaar.

Mede daardoor is het voor vrouwen lastiger om leider te worden. ‘Is ze wel sterk genoeg?’ is een vraag die eerder over een vrouw wordt gesteld dan over een man. Vrouwen worden, als ze eenmaal leider zijn, ook anders en negatiever beoordeeld dan mannen die hetzelfde leiderschapsgedrag laten zien. Mannen zullen niet te horen krijgen dat zij wel ‘een harde oom’ zijn, terwijl voor vrouwen de uitspraak ‘het is wel een harde tante’ de normaalste zaak van de wereld is. Om te overleven op leidinggevende posities moeten vrouwen het dus altijd extra goed doen.

Nietsdoen als strategie

Uit onderzoek naar feitelijke verschillen in leiderschapsgedrag tussen mannen en vrouwen weten we dat die erg klein zijn. Verschillen binnen groepen zijn meestal groter dan tussen groepen. Desalniettemin is er wel een aantal significante verschillen tussen beide seksen.

Vrouwen scoren zowel hoger op de meer ‘vrouwelijke’ leiderschapsstijlen, zoals ondersteunend en participatief leiderschap, als ook op de meer ‘mannelijke’ stijlen, zoals directief leiderschap en het zakelijk belonen van gedrag van hun medewerkers. Beide typen stijlen gaan gepaard met allerlei positieve uitkomsten, zoals arbeidstevredenheid en betrokkenheid.

Mannen hebben wel vaker dan vrouwen een passieve leiderschapsstijl: het laissez-faire-leiderschap: dan doe je niks. Deze stijl blijkt, u raadt het al, ineffectief.

Vrouwen zijn gemiddeld genomen dus inderdaad betere leiders dan mannen. Maar dat komt niet door hun sekse, of doordat ze van nature zo anders, want ‘typisch vrouwelijk’, leidinggeven. De vrouwen die het redden, blijken immers zowel mannelijke áls vrouwelijke stijlen te hanteren.

De verklaring is heel simpel: vrouwen doen het beter omdat ze zich eerst als leider moeten bewijzen. Terwijl mannen, zelfs met middelmatige kwaliteiten, op basis van toegedicht leiderschapspotentieel gemakkelijk omhoog klimmen. Hij is een man, dus hij zal wel een krachtdadige, goede leider zijn, is hierbij de gedachte.

Covid-19-aanpak

De conclusie is dat de resultaten uit het recente Covid-19-onderzoek helemaal niet zo opmerkelijk zijn. Ja, vrouwen doen het ook nu weer beter als leiders dan mannen. Maar nee, dat is geen kwestie van hun bijzondere, ‘vrouwelijke’ kenmerken waar juist nu vraag naar zou zijn. De ene sekse is niet van nature geschikter voor leiderschap dan de andere, ook niet tijdens een pandemie. Denken dat dit wel het geval is, is wederom niets meer en minder dan het reduceren van vrouwen tot een stereotype.

Het benadrukken van die ‘vrouwelijke’ leiderschapskwaliteiten in tijden van crisis doet leiders als Halsema, Ardern en Kaag uiteindelijk geen goed. De vraag naar het al of niet beter presteren van vrouwen houdt onbedoeld het stereotype in stand.

Janka Stoker is hoogleraar leiderschap en organisatieverandering aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze is daar tevens directeur van expertisecentrum In the Lead.

menu