Opinie: Het belang van werken met een beperking

Werkplaats in sociaal leerbedrijf.

Mensen met een beperking zullen na de coronatijd vaak moeilijk hun plek op de arbeidsmarkt weer kunnen vinden. ‘Sociale ontwikkelbedrijven’ kunnen daarbij helpen.

Heeft u het tv-spotje van Cedris gezien? Het toont hoe Sandra de was doet voor een thuiszorgorganisatie. Ze heeft een beperking. Haar werk is aangepast aan wat ze kan en ze wordt, zo nodig, begeleid. Het spotje laat zien dat mensen met een beperking ook in tijden van corona belangrijk werk verrichten.

Sandra kon gelukkig doorwerken tijdens de coronacrisis. Voor veel anderen was dat lastiger. Sommige bedrijven, zoals de horeca en kringloopwinkels, moesten hun deuren sluiten. Voor andere activiteiten werden in allerijl oplossingen bedacht om ze – soms beperkt – te laten doorgaan. Helaas vielen enkele bedrijven, ondanks overheidssteun, om.

Terugval in oude patronen dreigt

Op het eerste gezicht verschillen de gevolgen van de coronacrisis voor mensen met een beperking niet van die voor andere werknemers. Het is voor hen belangrijk net zo om werk te hebben. Een baan biedt een inkomen, structuur, sociale contacten, identiteit en een gevoel van eigenwaarde. Toch is er een belangrijk verschil. Meer dan ‘gewone’ werknemers lopen zij door het (tijdelijk) verliezen van werk het risico hun arbeidsvermogen te verliezen en terug te vallen in oude patronen. De terugkeer naar hun vaak moeizaam verworven positie op de arbeidsmarkt zal een lange weg zijn, als het ze al lukt. Dit ‘terug naar af’ staat voor persoonlijke drama’s, maar brengt ook hoge maatschappelijke kosten met zich mee. Dat lieten het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) onlangs zien in het rapport De brede baten van werk . Behalve een toename in uitkeringslasten, zal het beroep op de (geestelijke) gezondheidszorg en maatschappelijke ondersteuning (WMO) hierdoor toenemen. Het rapport verwacht zelfs een toename van criminaliteit.

De overheid heeft zich enorm ingespannen om werkgelegenheid te behouden. Om ontslagen te voorkomen, kregen ondernemers financiële ondersteuning. Ook de sociale werkbedrijven, speciaal ingericht voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, kregen in de eerste drie corona-maanden extra geld van de overheid. Die heeft hiermee laten zien bereid te zijn op korte termijn maatregelen te treffen. Maar hoe kijkt de overheid tegen de toekomst aan?

Participatiewet

In 2015 werd de Participatiewet van kracht. Deze is van toepassing voor alle mensen die ondersteuning nodig hebben om een baan te vinden en deze te behouden. Veel ondernemers bleken bereid te zijn om mensen met een beperking in dienst te nemen. Helaas lukt dat de overheid zelf nog niet om voldoende.

Door de coronacrisis keert het economische tij en zal de werkloosheid stijgen. Kwetsbare groepen, zoals mensen met een beperking, zijn het eerst de klos. Dit mag niet gebeuren, omdat mensen met een beperking volgens de Universele Verklaring voor Rechten van de Mens recht hebben op werk. Er is ook voldoende belangrijk werk dat nu deels blijft liggen. Het brengt bovendien hoge maatschappelijke kosten met zich mee als mensen met een beperking weer thuis komen te zitten.

Als de overheid het echt meent met de Participatiewet, die tot doel heeft dat iedereen kan meedoen op de arbeidsmarkt, dan kan ze nu laten zien dat ze zich daarvoor wil inzetten. Oók nu het economisch niet goed gaat.

Basisbanen

Er zijn reeds goede suggesties voor een arbeidsmarkt waar iedereen tot zijn recht komt. Zo pleit de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) voor ‘basisbanen’ voor mensen met een uitkering en weinig kans op de arbeidsmarkt. De gemeente Groningen experimenteert hier ook al mee. De commissie Borstlap voegt daar met het advies In wat voor land willen wij werken? aan toe dat ondernemers eenvoudiger en beter gecompenseerd moeten worden voor begeleidingskosten en eventueel productieverlies.

Tevens wordt benadrukt dat het stelsel bestand moet zijn tegen economische tegenslagen. De commissie vindt het van belang dat mensen ook in magere jaren aan het werk blijven, om te voorkomen dat de ‘arbeidsmarktreserve’ aan kwaliteit inboet door langdurige periodes van inactiviteit. De commissie vraagt zich af hoe er een buffer gecreëerd kan worden die meebeweegt met het economisch tij. Wij denken dat hier een rol is weggelegd voor ‘sociale ontwikkelbedrijven’. In Recht op werk zet de FNV uiteen hoe lokale sociale ontwikkelbedrijven deze rol kunnen vervullen. Behalve werk- en leerbedrijf kunnen ze ook een vangnet zijn voor werknemers die tijdelijk niet op de reguliere arbeidsmarkt terechtkunnen, bijvoorbeeld na ziekte of door een terugval. Dit vangnet kan ook ingezet worden in economische crises en zo dus een bufferfunctie vervullen.

Geld kan het probleem niet zijn: de economische en maatschappelijke opbrengsten kunnen de kosten dekken. En anders zijn er ook nog de diepe zakken van onze minister van financiën.

Ellen Offers is zelfstandig onderzoeker. Petra Oden is lector Juridische Aspecten van Ondernemerschap bij de Hanzehogeschool Groningen.

menu