Opinie: 'Leer kind pas lezen als het eraan toe is'

Voorleesontbijt in De Nieuwe Kolk in Assen, wethouder Bob Bergsma leest voor uit het boek Moppereend. Foto Archief Marcel Jurian de Jong

Met leesvaardigheid en leesplezier gaat het neerwaarts. Om het tij te keren deden onlangs rapporten vijf voorstellen. Maar ga liever eerst na of het kind lees- (en later spellings-) rijp is. Sluit aan bij zijn psychologische ontwikkeling.

Als kinderen rond hun vijfde tot zevende jaar hun eigen naam, ‘mamma’ en ‘pappa’ en enkele andere namen schrijven, dan zijn er twee reacties mogelijk. Een kind van gemiddeld 4,5 tot 6,5 jaar, dat in psychologisch opzicht nog een kleuter is (wat niet hetzelfde hoeft te zijn als ‘in groep 1/2 zitten’!), spiegelt en verwisselt letters. Jos schrijft bijvoorbeeld ‘JOS’ als ‘OJS’. Een kind dat in psychologisch opzicht een jong schoolkind is (gemiddeld 6,5-8,5 jaar), schrijft zonder spiegelingen en verwisselingen.

Stel dat een Anke ‘ANKE’, ‘MAMA’ en ‘JOS’ (broer) schrijft. Dan kan met deze letters ook het woord KOM worden gevormd. Als kleuter leest Anke ‘KOM’ nog als ‘K, o, m’, als losse klanken, er vindt geen woordvorming plaats. Als jong schoolkind leest ze KOM als ‘K, o, m: kom’: na de losse klanken vormt ze zelf het woord ‘kom’.

Een kind is pas aan lezen toe, als het als jong schoolkind schrijft én leest. Alle leesmethodes (op één na, het door mij op grond van de psychologische ontwikkeling geschreven ‘Ontdekkend Leren Lezen’) houden hier geen rekening mee. Daardoor beginnen veel kinderen te vroeg met letters, leesonderwijs, schrijfonderwijs en spellingonderwijs.

Voorstellen ter verbetering

Rapporten van de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur deden onlangs vijf voorstellen om het leesonderwijs te verbeteren. We lopen de voorstellen uit de rapporten langs.

* Lang, geconcentreerd lezen bevorderen: uitstekend! Echter, een kind dat te vroeg met leesonderwijs begint, haakt vroeg of laat af – al bij ‘ui’, ‘ng’ en dergelijke, of pas bij ‘boten’/‘botten’. Dit verklaart de grote terugval in de groepen 4 en 5. Lang, geconcentreerd lezen vergt concentratie en rust, maar daar staat tempo- of race -lezen haaks op. Daarin moeten kinderen zo snel mogelijk lezen. Ze worden er ongeduldig en onrustig van en velen vallen terug op het radend lezen van de kleuter: na ‘K, o, m’ kan die het woord ‘Mop’ wel raden.

* Leesplezier verhogen: geweldig! Maar in de groepen 3 en 4 ploeteren te veel kinderen met lezen en vinden ze het saai. Reden: ze kunnen van de losse klanken nog geen woorden maken. De oplossing: laat de kinderen niet allemaal meteen na de zomervakantie in groep 3 met leesles beginnen, maar elk kind op zijn of haar eigen moment. Op dit ogenblik experimenteren 22 basisscholen – één in Groningen, vijf in Drenthe – met groepsdoorbrekend leesonderwijs waarin elk kind tijdens het schoolbrede leesonderwijs naar zijn eigen leesniveaugroep gaat.

* Leesmethodes verbeteren: fantastisch! Baseer alle leesmethodes op de psychologische ontwikkeling en begin pas met leesonderwijs als het kind leesrijp is. Plus: geef kleuters voorwaardenscheppend onderwijs door ze met klanken en vormen te laten spelen. Een letter is immers een figuurtje met een vorm en staat voor een klank. Letters demotiveren kleuters en maken ze niet leesrijp.

* Zorgen voor een leescultuur: heel goed! Een leescultuur landt echter alleen bij kinderen, bij wie lezen, spellen en boeken niet vervelend zijn gemaakt doordat lees- en spellingonderwijs boven hun pet gingen.

* Extra aandacht voor jongens: natuurlijk! Gemiddeld worden jongens later leesrijp dan meisjes en ontdekken ze leerstof liever dan meisjes zelf. Lees- en spellingonderwijs óp het niveau van elk kind wint jongens terug en laat meisjes niet vallen.

Geen directe instructie nodig

Naast de vijf voorstellen bepleiten de rapporten ook één onderwijsbenadering: directe instructie. Die is alleen noodzakelijk bij kinderen die ergens nog niet aan toe zijn. Kinderen die leesrijp zijn, kunnen de letters en hun klankwaardes echt zelf ontdekken. Directe instructie is dus overbodig als we de ontwikkeling van het kind volgen.

Directe instructie staat in de traditie van ‘leerbaarheidsgedachtes’. In 1929 introduceerde Philip Kohnstamm ideeën om te proberen buiten de ontwikkeling van het kind om zijn intelligentie te verhogen. In 1946 institutionaliseerde Martinus Langeveld die gedachte in zijn Pedagogisch Instituut. Via-via drukken zij nog steeds een grote stempel op het onderwijsbeleid zoals dat door de onderwijsinspectie wordt gecontroleerd.

We kunnen dit stoppen: door de ontwikkeling van het kind weer serieus te nemen en er ons onderwijs op af te stemmen. Met alleen de vijf officiële voorstellen én directe instructie zullen leesvaardigheid en leesplezier blijven dalen.


dr. Ewald Vervaet is ontwikkelings- en leespsycholoog en lid van de kerngroep van de 4.000 leden tellende Werk- en Steungroep Kleuteronderwijs.

menu