Alle maatregelen van bovenaf stuiten bij boeren op veel weerstand. Collectieve zelfregulering kan die weerstand verminderen | Opinie

Aan de Schoonloërweg te Schoonloo beregent een boer zijn weiland. Foto: Corné Sparidaens

Wetenschappers Jeltsje van der Meer-Kooistra, Eelke en Henk Folmer pleiten voor collectieve zelfregulering van onderaf als alternatief voor het van bovenaf gedicteerde landbouwbeleid.

Boeren krijgen steeds meer te maken met maatregelen die aantasting van milieu, biodiversiteit en het landschap moeten voorkomen: beperking van de uitstoot van stikstof en broeikasgassen, bescherming van weidevogels en insecten, beperking van bestrijdingsmiddelen – om slechts enkele te noemen.

Deze maatregelen zijn stappen in het beleid van minister Schouten van Landbouw, Natuur en Volksgezondheid (LNV), op weg naar een natuur-inclusieve kringlooplandbouw waarbij schade aan milieu, natuur en landschap zoveel mogelijk beperkt wordt.

Nadelige effecten

Een groot deel van de samenleving is zich bewust van de nadelige effecten van de intensieve landbouw. Net als steeds meer boeren. Zij hebben echter veel moeite met de van bovenaf opgelegde maatregelen, die hoge kosten met zich meebrengen en waarvan zij de effectiviteit en efficiëntie betwijfelen.

Zo bleek dat de door LNV voorgestelde maatregel om de stikstofuitstoot van melkvee terug te dringen door het gehalte eiwit in krachtvoer te beperken, de gezondheid van het vee aantast. Ook zijn de maatregelen volgens de boeren te generiek en houden ze onvoldoende rekening met de specifieke kenmerken van hun bedrijf.

Door dergelijke missers neemt de weerstand tegen het landbouwbeleid van de overheid alleen maar toe, terwijl er juist medewerking van de boeren nodig is voor het maken van de omslag.

Agrarische collectieven

Een alternatief voor het van bovenaf gedicteerde landbouwbeleid is collectieve zelfregulering van onderaf. Kern van dit model is dat de overheid per regio doelstellingen formuleert, de aanpassingen financiert en er op toeziet dat de doelstellingen gehaald worden, maar dat de invulling en uitvoering van de maatregelen wordt overgelaten aan agrarische collectieven.

Zo wordt boeren maximale vrijheid geboden om de doelstellingen naar eigen inzicht te realiseren. Hierbij ligt het voor de hand om samenwerking te zoeken met landschaps- en natuurorganisaties, toeleveranciers van grondstoffen, verwerkers van de landbouwproducten, voorlichters, banken en supermarkten.

Alleen het vaststellen van de doelstellingen valt in zo’n model onder de verantwoordelijkheid van de overheid, als hoeder van het algemeen belang die alle maatschappelijke belangen tegen elkaar afweegt.

Naar eigen inzicht

Neem de stikstofproblematiek. Bij collectieve zelfregulering zou dat betekenen dat de provincies de maximale uitstoot per regio vaststellen, de vergoedingen regelen en erop toezien dat de doelstellingen gerealiseerd worden. De boeren kunnen vervolgens naar eigen inzicht de uitvoering vormgeven op basis van de specifieke kenmerken van hun bedrijf. Zo kan de ene boer kiezen voor extensivering, een andere voor technische aanpassingen en een derde voor bedrijfsbeëindiging.

Het collectieve zelfreguleringsmodel leent zich uitstekend voor het integraal aanpakken van de milieu- en landschapsproblemen, zoals de reductie van de uitstoot van CO2, de herinrichting van het veenweidegebied en de bevordering van de biodiversiteit. Een groot voordeel is dat het ook ruimte biedt voor regionale verschillen, bijvoorbeeld naar gelang grondsoort, bodemgebruik en de omgeving.

Essentiële vraag

Een essentiële vraag is: zijn boeren bereid en in staat om mee te werken aan collectieve zelfregulering? Positief is dat Nederlandse boeren al goed georganiseerd zijn in lokale en nationale netwerken, in staat zijn gebleken om ad hoc samenwerkingsverbanden op te zetten en al vaak samenwerken met natuurorganisaties.

Omdat de boeren overheidstaken overnemen, is het redelijk dat de administratieve kosten van zelfregulering door de overheid worden gedragen. Tevens financiert de overheid de aanpassingen van de bedrijfsvoering. Het model is verder aantrekkelijk omdat boeren waardering zullen oogsten voor hun natuur- en landschapsdiensten ten behoeve van het algemeen belang, die bovendien tot nieuwe dynamiek en inkomsten kunnen leiden.

Stokken achter de deur

Er zijn ook stokken achter de deur. Indien een boer weigert mee te werken komt hij of zij niet in aanmerking voor de vergoedingen van het collectief. Een tweede stok is groepscontrole. Individuele boeren die weigeren samen te werken, kunnen door hun collega’s onder druk worden gezet om zich coöperatief op te stellen. Ook is er de dreiging van overheidsingrijpen met gedetailleerde regelgeving van bovenaf wanneer een collectief er niet in slaagt om tot samenwerking en zelfregulering te komen.

De aanpak van problemen in de landbouw door maatregelen van bovenaf stootte tot nu toe op veel weerstand. Overdracht van verantwoordelijkheden en uitvoering naar agrarische collectieven kan die weerstand verminderen. Boeren krijgen de ruimte om hun kennis en ervaring in te zetten voor een transitie naar een duurzame landbouw met een goed verdienmodel. En op die manier ook bij te dragen aan de ontwikkeling van een aantrekkelijk platteland.


Jeltsje van der Meer-Kooistra is hoogleraar financieel management, Rijksuniversiteit Groningen

Eelke Folmer is ecologisch onderzoeker, Ecospace en Aeria

Henk Folmer is hoogleraar ruimtelijke economie, Rijksuniversiteit Groningen

Je kunt deze onderwerpen volgen
Opinie