Opinie: Verandering kan alleen samen

Koning Willem-Alexander tijdens het Gala van de Biodiversiteit ter gelegenheid van het 200 jarig bestaan van Naturalis. Bij de transitie naar een duurzame samenleving is leiderschap vereist. Foto Archief/Remko de Waal

We komen niet meer verder met het voor ons uitschuiven van duidelijke keuzes over hoe we produceren en consumeren.

Het is inmiddels een bekende cartoon, die van de Canadees Graeme Mackay. Een stad dreigt overspoeld te worden door vier opeenvolgende, steeds grotere crisisgolven: corona, recessie, de klimaatverandering en tot slot het verdwijnen van de biodiversiteit. Apocalyptisch. Wie hem niet kent, kan de cartoon op het twitteraccount van de tekenaar (@mackaycartoons) vinden. Mackay visualiseert ermee wat veel mensen inmiddels beseffen: de uitdagingen zijn groter dan wijzelf en kleine aanpassingen van ons beleid en manier van leven zullen niet het verschil maken dat nodig is.

Winst

Dat is winst: de groep mensen die inziet dat duurzaamheid geen linkse of elitaire hobby is, maar gaat over de houdbaarheid van onze beschaving, groeit. Zelfs binnen beroepsgroepen en politieke partijen waar je het niet zou verwachten, onderkennen steeds meer mensen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen hoe we ons leven inrichten (industriële landbouw, overconsumptie, gesubsidieerde luchtvaart) en welke uitdagingen op ons afkomen (hogere zeespiegel, verdroging, daling van biodiversiteit, bodemkwaliteit, kwetsbaarheid voor pandemieën).

Op verschillende dossiers, waaronder de landbouw, de luchtvaart en de ruimtelijke inrichting, zijn we aan het einde van de twintigste-eeuwse beleidscyclus gekomen en komen we niet meer verder met het voor ons uitschuiven van duidelijke keuzes.

Steeds minder omstreden

We kunnen met elkaar van mening verschillen over hoe we die beschaving precies definiëren of hoe we die beschaving graag zouden willen verbeteren. Zie bijvoorbeeld de discussies over institutioneel racisme en de vrijheid van meningsuiting. Maar dat er iets moet veranderen in hoe we met onze fysieke leefomgeving omgaan, hoe we produceren en consumeren, dat wordt hoe langer hoe minder omstreden. Net als het inzicht dat veranderen onvermijdelijk gepaard gaat met pijn en kosten, maar ook met inspiratie.

Ook dat is winst: de politieke kwestie verschuift van de vraag óf er een transitie naar een meer duurzame samenleving nodig is, naar de vraag hóe we zo’n transitie gaan vormgeven. En hoe de korte en middellange pijn verdeeld wordt over maatschappelijke groepen en fysieke plekken.

Waarom is er zo weinig gebeurd?

Nu we te maken hebben met een stikstofcrisis, een corona-uitbraak en klimaatproblemen, wordt vaak de vraag gesteld: hoe kan het dat we al decennia op de hoogte zijn van deze kwetsbaarheden en de processen die eraan bijdragen, maar dat er maatschappelijk en beleidsmatig na al die jaren nog steeds niets is gebeurd? Soms wordt die vraag retorisch en met de handen wanhopig ten hemel gestrekt gesteld. Soms met oprechte verwondering en drang om te begrijpen. Om te begrijpen waar we nu staan en om stappen vooruit te kunnen maken, helpt het om toch te proberen om die vraag te beantwoorden. De weg van een ingewikkeld en vertakt maatschappelijk probleem naar een werkelijke transformatie, verloopt grofweg via de volgende stappen:

1. Het ontwikkelen van kennis over de aard en omvang van het probleem (beschrijven).

2. Kennisontwikkeling over de oorzakelijke mechanismen (verklaren).

3. Inspiratie vinden voor en kennisontwikkeling over de mogelijke oplossingen of alternatieven (ontwikkelopties).

4. Inzicht verkrijgen in de oplossingen of alternatieven (verdienmodellen, transitiekosten, wetgevingsveranderingen, kennislacunes, effecten bij ketenpartners, zoals economisch verlies bij de nieuwe situatie.

5. Ontwerpen van oplossingen voor krachten die de transitie blokkeren (zoals gevestigde deelbelangen).

6. Het ontwikkelen van een politiek en beleidsmatig plan, met een verre en buitenpolitieke horizon, om (een combinatie van) oplossingen of alternatieven te omarmen, de kosten daarvan redelijk en rechtvaardig te verdelen en blokkerende krachten op te heffen (door compensatie en/of disciplinering).

7. Bestuurlijke moed om de eerste te zijn (of een coalitie te smeden) die een echte stap durft te zetten. En dat in de wetenschap dat diegenen die alleen een pijnlijke (maar onvermijdelijke) boodschap moeten verkopen, allang uit beeld zullen zijn wanneer het positieve resultaat en credits geoogst kunnen worden.

Natuurlijk is dit een versimpelde weergave en hebben we in het echte leven vaak te maken met twee stappen naar voren en één terug. Maar als het nu gaat over de transitie naar een duurzame landbouw, waar staan we dan nu in dit proces?

Eerste stappen

Stap 1 is genomen, grofweg in de periode van 1972 (Club van Rome) tot aan 1992 (Rio-conferentie), maar ook met recente studies van het Planbureau voor de Leefomgeving (realisatie natuurdoelstellingen), de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur (over bodemdaling) of het internationale rapport van het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) over de wereldwijde biodiversiteitscrisis.

Ten aanzien van stap 2 waren het Brundtland-rapport (1987), de Conferentie van Parijs (2015) en het vaststellen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s, 2015) belangrijke stappen.

Stap 3 is ook genomen, in de zin dat de wetenschap antwoorden heeft klaarstaan om bijvoorbeeld de landbouw te verduurzamen, op een zodanige manier dat ook het landelijk gebied, inclusief de culturele en ruimtelijke eigenheid ervan, erop vooruitgaat. En er zijn volop, veelal projecten van onderop.

Ze tonen, zij het op beperkte schaal, wel aan dat er beweging en verandering gaande is. Maar er is nog onvoldoende bewijsvoering over de robuustheid van het nieuwe verdienmodel voor een brede groep landbouwers. Daardoor is de opschaalbaarheid nog beperkt. En dat leidt tot onzekerheid over de gevoerde koers.

Waar zijn we nu?

Dat maakt dat we ons op dit moment ergens bij stap 4 bevinden: verder inzicht krijgen in de kosten en opbrengsten van de oplossingen of alternatieven. En in de kosten die nodig zijn om zo’n nieuwe situatie te bereiken, inclusief het wegnemen van andere belemmeringen zoals tegenstrijdige wetgeving. Daar ontbreekt op dit moment de kennis nog voor, of de daadkracht bij de uitvoering. Om ervoor te zorgen dat de dialoog niet stokt, is het nodig om een goede objectieve maatschappelijke afweging te kunnen maken.

Maar de economische schade dan?

Het gesprek zou juist daarmee moeten beginnen (stappen 5 en 6). Waar zitten oplossingen voor blokkerende krachten? Die dialoog gaat over een realistisch transformatieproces waarin een afgewogen keuze gemaakt kan worden. Die twee stappen, 5 en 6, zullen met meer focus en ondersteuning door alle spelers ter hand moeten worden genomen. Anders struikelt het dossier van incident naar incident en blijft het een politieke speelbal.

Lange adem

Het is ook zaak dat de politiek deze processen, die een lange adem vragen, niet door politieke dagkoersen laat overheersen en daarmee de ketenpartijen in onzekerheid laat en zo de transitie frustreert. De landbouwtransitie vraagt van alle spelers in de keten (overheid, boer, bank, verwerker, retail, toeleveranciers en consumenten) een verandering die alleen slaagt als die verankerd is voor de lange termijn.

Leiderschap

Hierna komt het aan op politiek en maatschappelijk leiderschap, van mensen uit de mainstream van het politieke landschap. Mensen die de moed hebben om te gaan stáán voor het plan dat vanuit hun perspectief het beste is, met de meest redelijke en rechtvaardige verdeling van de kosten op korte en middellange termijn (stap 7).

Om brede steun in de samenleving te mobiliseren, moet tegemoet gekomen worden aan groepen die de pijn van de transitie onevenredig gaan voelen. Die brede maatschappelijke steun is niet een modieuze oproep tot draagvlak of participatie. We zullen de transitie met z’n allen moeten maken, of we maken hem niet. Het is aan de overheid de regie voor dat transformatieproces, van stap 1 tot en met 7, ter hand te nemen en met focus en daadkracht te besturen.


Caspar van den Berg is hoogleraar Global and Local Governance aan de RUG/CampusFryslân. Theunis Piersma is hoogleraar Trekvogelecologie aan de RUG en onderzoeker bij het NIOZ. Klaas Sietse Spoelstra is strategisch veranderaar, Nij sicht.

menu