Heideveld tussen Roden en Bronneger.

MIjn Streek: Wandelend langs de stenen op de Hondsrug vanuit het Hunebedcentrum in Borger

Heideveld tussen Roden en Bronneger. Foto: Marcel van Kammen

Stenen op de Hondsrug doen al gauw aan hunebedden denken. Logisch, maar er zijn zoveel ontelbare stenen meer die hun weg naar Drenthe vonden. Gerrit Eggink laat ze zien tijdens een tocht vanuit het Hunebedcentrum in Borger.

’De meeste mensen die meegaan met een rondleiding hebben nog nooit een hunebed gezien.” Verstonden we dat goed? Zal niet waar zijn toch? Voor een rechtgeaarde Noorderling niet voor te stellen. ,,Heus, echt waar”, verzekert Gerrit Eggink (1953), gids van het Hunebedcentrum in Borger.

loading  

,,Veel bezoekers komen uit het Westen, verblijven in een bungalowpark ergens in de buurt, hebben er nog nooit een gezien. Dan neem ik ze mee voor een rondje, lopen we over dit paadje tussen de bomen, staan ze plots voor dit hunebed, D27. Dat is natuurlijk ook het grootste van Nederland. Zijn ze helemaal sprakeloos.”

De verbazing bij je eerste hunebed

Kon het maar: opnieuw voor het eerst een hunebed zien. Lijkt me wel wat, de verbazing proeven die bij de bouwwerken hoort. Hoewel ik niet in Drenthe ben opgegroeid waren hunebedden er in mijn kinderjaren altijd. Waarschijnlijk waren het de stenen bij Havelte. Reden mijn ouders altijd langs op visite naar oom en tante.

Dan werd de auto langs de kant van de weg gezet, en ik op de stenen; mocht je klauteren, springen van de ene op de andere. Pure grafschennis, maar dat is wijsheid van later. Verbazing kwam pas toen je begreep dat hunebedden grafmonumenten zijn, het raadsel van de bouwers, hoe ze dat geflikt hadden, en over de ijstijd die de stenen hier bracht.

Gerrit Eggink, verpleegkundige tijdens zijn werkzame leven, heeft een vast rondje dat hij maakt wanneer hij een excursie leidt vanuit het Hunebedcentrum. Niet een tocht het open gebied in – al begint hij wel met het uitzicht over het dal van het Voorste Diepje met daarachter de Buinerbult – maar juist de andere kant op, richting het centrum van Borger. ,,Je zult zien: daar liggen zoveel stenen waarover zoveel valt te vertellen.”

Onderweg stopt hij om de haverklap, zoals bij de Joodse begraafplaats, nog voor de dorpsrand. Hij wijst naar twee grafstenen, op elk ligt een steentje. ,,Dat is een Joods gebruik. Je ziet er geen bloemen, die verwelken. Stenen niet, stenen zijn voor eeuwig.”

loading  

De ene steen is de andere niet

Je kunt je verbazen over de enorme keien die hun plek kregen in de hunebedden, maar goed beschouwd zijn het er maar een paar, er zijn er zoveel ontelbaar meer. Misschien is dat dé grootste verbazing van de tocht. Door met iemand als Eggink op pad te gaan, word je je daarvan bewust. Bovendien is de ene steen de andere niet is.

Om eerlijk te zijn, zoiets valt me nooit op. Bakstenen en zwerfkei, verder dan dat onderscheid kom ik meestal niet. Mijn oog is te onrustig, zwerft verder, over het landschap, hoe is dat ingedeeld, de bomen, wat zich aan de horizon bevindt, vliegt door de lucht het liefst. Ach ieder zijn ding. Juist dan is het leuk om met Eggink te wandelen; hij kijkt naar de grond, ziet stenen die een normaal mens pas opvallen als hij erover struikelt.

loading

,,Goh, deze graniet heeft op zijn donder gehad!”, klinkt het vol ontzag, als Eggink zijn hand laat gaan over de krassen en de afgeschuurde vlakken van een grote grijze steen. Ja, dat moet je steeds proberen erbij te denken, hoe al die stenen in een duizenden meters dik pakket ijs naar onze omgeving werden getransporteerd, schoven, kropen, vloeiden, tergend langzaam. ,,Stenen zijn plastisch”, verkondigt Eggink, ,,verkreukelen, verfrommelen.” Hij knijpt z’n handen ineen, alsof het niets is.

Een maaskei is geologische vervuiling

We zijn inmiddels in het centrum van Borger, waar langs de rotonde en de doorgaande weg allerlei stenen staan opgesteld, als visitekaartje van het dorp. Eggink loopt bij enkele langs, heeft het over ‘gidsgesteenten’, noemt plekken in Scandinavië waar ze ooit van de moederrots afbraken, om hier in Drenthe te belanden.

loading  

Gneizen , ijskanters , gletsjerkrassen , alandrapakivi – ,,de huismus onder de stenen van de Hondsrug” – helleflinten ; nog maar wat namen en termen die de revue passeren. Eggink, wijzend naar een grijze steen: ,,En daar hebben we een voorbeeld van geologische vervuiling: een maaskei. Is hier gewoon door iemand bij gelegd.”

We lopen over heilige grond van 5000 jaar oud

Terug bij het Hunebedcentrum maken we nog een rondje. Na ‘de drukte van Borger’ kunnen we nu van ons af kijken, kilometers ver, over de akkers, hooguit begrensd door plukjes bos. De glooiingen in het landschap vallen op, de stilte ook, net als het heerlijke zonnetje. Het pad gaat omhoog en eindigt als het ware in lucht, zoals in het buitenland. Vijf hunebedden liggen langs de route, een tweetal niet ver van een trio.

loading

Het kan niet anders dan dat we over heilige grond lopen. Ruim 5000 jaar oud en nog altijd omgeven door raadsels. Aan de rand van een akker ligt een hoop stenen, daar neergelegd door een boer, de bijvangst van de aardappeloogst. Eggink wijst naar de Buinerbult in de verte. ,,Als je daar staat heb je ook nog eens uitzicht over het Hunzedal. Nu is dat een meter of 10 lager, maar na de ijstijd die de Hondsrug vormde was dat hoogteverschil wel zo’n 50, 60 meter. Dat is dichtgewaaid met dekzand, een ijstijd later.”

Van de ijstijd is het een maar klein sprongetje naar klimaatverandering. ,,Ach, is van alle tijden”, zegt Eggink, relativerend zoals alleen mensen met geologiegenen dat kunnen. ,,Weet je: vroeger liepen hier wolharige neushoorns.”

menu